
119
Problemen oplossen
9
Het beeld is wazig of onscherp.
U hebt de camera bewogen.
z
Zorg ervoor dat u de camera niet beweegt tijdens het indrukken
van de ontspanknop.
z
Gebruik een statief en een lange sluitertijd wanneer
de waarschuwing van bewegingsonscherpte knippert.
De automatische focus wordt
belemmerd omdat het AF-
hulplicht is geblokkeerd.
z
Zorg dat uw vingers of andere voorwerpen het AF-hulplicht van de
autofocus niet blokkeren.
Het AF-hulplicht is ingesteld
op [Uit].
z
Stel het AF-hulplicht in op [Aan] (p. 27).
Het onderwerp valt buiten het
focusbereik.
z
Onder normale opnameomstandigheden moet u een
minimumafstand van 44 cm tot het onderwerp aanhouden.
z
Kies de macromodus als u close-ups wilt maken. Gebruik
de maximale groothoek bij een afstand tussen 4 en 44 cm en de
maximale telelens bij een afstand tussen 30 en 44 cm.
Het onderwerp laat zich
moeilijk scherpstellen.
z
Gebruik de focusvergrendeling, AF lock of handmatige
scherpstelling om de opname te maken
Zie
Onderwerpen die problemen opleveren voor de automatische
scherpstelling
(p. 62).
Onderwerp in het vastgelegde beeld is te donker.
Er is onvoldoende licht voor
het maken van een opname.
z
Schakel de flitser in.
Het onderwerp is donker ten
opzichte van de achtergrond.
z
Stel de belichtingscompensatie in op een positieve waarde (+).
z
Gebruik AE lock (belichtingsvergrendeling) of spotmeting.
Zie De ingestelde belichting vergrendelen (AE lock) (p. 65).
Zie Verschillende methoden voor lichtmeting
gebruiken (p. 68).
Het onderwerp valt buiten het
bereik van de flitser.
z
Gebruik de ingebouwde flitser voor opnamen binnen het volgende
bereik: Automatische ISO-waarde: 55 cm en 4,2 m vanaf het
onderwerp bij een maximale groothoekinstelling en binnen 55 cm
tot 2,0 m bij een maximale telelensinstelling.
z
Verhoog de ISO-waarde en maak de opname.
Zie De ISO-waarde wijzigen (p. 74).
Komentarze do niniejszej Instrukcji